Hoofdstuk 3 van 23

Van idee naar maten, functies en eisen

In het vorige hoofdstuk heb je gezien dat een goede behuizing meer doet dan alleen elektronica afdekken. Ze beschermt onderdelen, houdt alles op zijn…

In het vorige hoofdstuk heb je gezien dat een goede behuizing meer doet dan alleen elektronica afdekken. Ze beschermt onderdelen, houdt alles op zijn plaats, maakt aansluitingen bereikbaar en zorgt ervoor dat je project ook na een paar maanden nog praktisch te gebruiken is.

Daarmee ontstaat meteen een nieuwe vraag:

hoe vertaal je zo'n idee naar een behuizing die je werkelijk kunt tekenen?

Je kunt natuurlijk Tinkercad openen, een blok op het werkvlak zetten en beginnen met vormen. Dat voelt alsof je meteen aan het ontwerpen bent. In de praktijk verschuif je het probleem dan alleen maar. Je weet nog niet hoe groot het blok moet worden, waar aansluitingen moeten komen en hoeveel ruimte de onderdelen nodig hebben.

Een betere aanpak begint daarom niet in Tinkercad.

Hij begint bij je project zelf.

Voordat je tekent, probeer je drie dingen helder te krijgen:

  • welke onderdelen moeten in of aan de behuizing;
  • welke functies moet de behuizing vervullen;
  • welke maten en praktische eisen daaruit volgen.

Pas daarna wordt tekenen zinvol.

Een behuizing begint met wat erin moet

Stel dat we in De Werkplaats een kleine binnensensor willen bouwen met:

  • een ESP32;
  • een SHT41 temperatuur- en luchtvochtigheidssensor;
  • een klein display;
  • een USB-aansluiting voor voeding;
  • eventueel een bewegingssensor aan de voorkant.

Op papier klinkt dat als één apparaat.

Voor een behuizing zijn het echter vijf verschillende objecten, ieder met zijn eigen ruimte en eisen.

De ESP32 moet ergens worden bevestigd. De USB-stekker moet bereikbaar blijven. De SHT41 moet lucht uit de ruimte kunnen meten. Het display moet zichtbaar zijn. Een bewegingssensor mag niet achter een dichte kunststof wand verdwijnen.

De vorm van de behuizing volgt dus voor een groot deel uit de onderdelen die erin komen.

Dat is een belangrijk uitgangspunt:

Ontwerp niet eerst een doos en probeer daarna je elektronica erin te krijgen. Begin bij de elektronica en bouw de doos eromheen.

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het voorkomt verrassend veel problemen.

Leg de echte onderdelen op tafel

Wanneer het mogelijk is, werk dan met de fysieke onderdelen naast je.

Een productpagina of datasheet kan nuttige maten bevatten, maar het echte onderdeel laat meer zien.

Je ziet bijvoorbeeld:

  • dat een connector buiten de printplaat uitsteekt;
  • dat soldeerpennen onder de print zitten;
  • dat een kabel niet direct een scherpe bocht kan maken;
  • dat een USB-stekker veel breder is dan de connector op de print;
  • dat een montagegat dicht tegen een onderdeel zit.

Pak daarom bijvoorbeeld je ESP32 en kijk er eerst rustig naar.

Probeer nog niets op te meten.

Voorspel eerst waar waarschijnlijk problemen zullen ontstaan.

Misschien denk je:

De USB-aansluiting gaat bepalen waar de print moet komen.

Of:

Onder de print moet ruimte blijven voor soldeerpunten.

Dat zijn precies de observaties die je later nodig hebt.

De maat van een printplaat is niet de maat van je binnenruimte

Een veelgemaakte beginnersfout is heel logisch.

Je meet een printplaat van bijvoorbeeld 52 bij 28 millimeter en maakt vervolgens een binnenruimte van 52 bij 28 millimeter.

Op papier past dat exact.

In werkelijkheid past het waarschijnlijk helemaal niet.

Een onderdeel heeft namelijk speling nodig: een kleine hoeveelheid extra ruimte rondom het onderdeel.

Waarom?

Omdat echte voorwerpen nooit volledig theoretisch zijn. Een print kan iets afwijken. Een kunststof print kan een fractie krimpen. Er kan een soldeerpunt uitsteken. En je moet het onderdeel ook nog daadwerkelijk kunnen plaatsen.

Als een printplaat 52 millimeter lang is, zou je bijvoorbeeld kunnen beginnen met een binnenruimte van ongeveer 54 of 55 millimeter.

Niet omdat 55 een magisch getal is, maar omdat je bewust ruimte toevoegt.

Hoeveel speling nodig is, hangt af van het onderdeel en van je printer. Tijdens deze gids gaan we daarom niet proberen één universele waarde te gebruiken. We leren juist hoe je zulke maten stap voor stap kunt controleren.

Meet lengte, breedte én hoogte

Bij een behuizing denken veel mensen eerst aan lengte en breedte.

De hoogte wordt gemakkelijk onderschat.

Juist daar ontstaan veel problemen.

Een ESP32-printplaat is misschien maar een paar millimeter dik, maar de USB-connector, pinheaders en andere componenten steken daarboven en soms ook daaronder uit.

Meet daarom niet alleen de printplaat zelf.

Meet de totale ruimte die het onderdeel nodig heeft.

Je kunt daarbij denken aan:

  • lengte;
  • breedte;
  • hoogte van de hoogste component;
  • onderdelen die onder de print uitsteken;
  • uitstekende connectoren;
  • kabels en stekkers.

Dat laatste wordt vaak vergeten.

Een USB-kabel kan bijvoorbeeld eenvoudig in een aansluiting passen, terwijl de stekker vervolgens tegen de wand van de behuizing komt.

Technisch gezien is de aansluiting bereikbaar.

Praktisch gezien is hij onbruikbaar.

Denk in functies voordat je in vormen denkt

Maten vertellen je hoeveel ruimte nodig is.

Functies vertellen je waarom die ruimte nodig is.

Voor onze binnensensor zou je bijvoorbeeld de volgende functies kunnen opschrijven:

  • de elektronica beschermen;
  • de ESP32 stevig vasthouden;
  • het display zichtbaar maken;
  • de USB-aansluiting bereikbaar houden;
  • lucht bij de SHT41 laten komen;
  • de bewegingssensor vrij zicht geven;
  • de behuizing kunnen openen;
  • eventueel aan een wand of standaard kunnen worden bevestigd.

Dat lijstje is belangrijker dan het er misschien uitziet.

Het verandert namelijk direct je ontwerp.

Wanneer de SHT41 lucht moet meten, heb je ventilatieopeningen nodig.

Wanneer de USB-kabel bereikbaar moet zijn, heb je een opening in een zijwand nodig.

Wanneer de behuizing later opnieuw geopend moet kunnen worden, is volledig dichtlijmen misschien geen goede oplossing.

Een functie wordt zo langzaam een ontwerpeis.

Van wens naar eis

Een wens klinkt bijvoorbeeld als:

Ik wil dat de USB-aansluiting handig bereikbaar is.

Dat is nog vrij vaag.

Een eis probeert concreter te worden:

De USB-kabel moet aangesloten en verwijderd kunnen worden zonder de behuizing te openen.

Dat kun je testen.

Hetzelfde geldt voor:

De sensor moet goed kunnen meten.

Dat kunnen we vertalen naar:

De SHT41 mag niet volledig opgesloten zitten in een afgesloten ruimte.

Of nog concreter:

Bij de sensor moeten openingen zitten waardoor lucht uit de kamer kan circuleren.

Door wensen zo te vertalen, maak je het ontwerp controleerbaar.

En dat past bij de manier waarop we in deze gids gaan werken: voorspellen, maken, waarnemen en aanpassen.

Maak een eenvoudig eisenlijstje

Voor een eerste ontwerp hoeft dat geen technisch document van tien pagina's te worden.

Een klein lijstje is genoeg.

Voor de binnensensor uit De Werkplaats zou dat bijvoorbeeld zo kunnen beginnen:

Onderdelen

  • ESP32;
  • SHT41;
  • display;
  • bewegingssensor;
  • USB-kabel.

Functionele eisen

  • display moet vanaf de voorkant leesbaar zijn;
  • bewegingssensor moet vrij zicht hebben;
  • lucht moet bij de SHT41 kunnen komen;
  • USB moet van buiten bereikbaar zijn;
  • elektronica moet beschermd zijn.

Constructie-eisen

  • ESP32 mag niet los in de behuizing liggen;
  • printplaten mogen niet tegen de buitenwand worden geklemd;
  • behuizing moet opnieuw geopend kunnen worden;
  • scherpe randen rond aansluitingen moeten worden voorkomen.

Maten

Daar voeg je de gemeten afmetingen van de werkelijke onderdelen aan toe.

Nu heb je nog steeds geen 3D-model.

Maar je hebt wel iets veel belangrijkers: een beginpunt dat je kunt controleren.

Buitenmaat en binnenmaat zijn niet hetzelfde

Stel dat je uiteindelijk een binnenruimte van 60 × 40 × 25 millimeter nodig hebt.

Dan kan je behuizing niet simpelweg 60 × 40 × 25 millimeter groot worden.

Er moeten namelijk nog wanden omheen.

Wanneer je bijvoorbeeld wanden van 2 millimeter gebruikt, komt daar aan beide zijden materiaal bij.

Een eenvoudige gedachteproef:

Je hebt binnen 40 millimeter breedte nodig.

Aan de linkerzijde komt 2 millimeter wand.

Aan de rechterzijde ook.

De buitenmaat wordt dan:

40 + 2 + 2 = 44 millimeter.

Dit verschil tussen binnenmaat en buitenmaat komt tijdens het tekenen voortdurend terug.

Daarom is het verstandig vooraf al te weten over welke maat je spreekt.

Wanneer je ergens 40 mm noteert, zet er dan bijvoorbeeld bij:

binnenbreedte: 40 mm

Dat voorkomt later verwarring.

Wanddikte is ook een ontwerpskeuze

Een behuizing heeft geen oneindig dunne wanden.

De wanddikte bepaalt onder andere:

  • hoe stevig de behuizing wordt;
  • hoeveel ruimte het materiaal inneemt;
  • hoe gemakkelijk openingen te printen zijn;
  • hoeveel materiaal en printtijd nodig zijn.

Dikker is niet automatisch beter.

Een extreem dikke wand maakt de behuizing vooral groter en zwaarder. Een erg dunne wand kan juist kwetsbaar worden of minder mooi printen.

Voor een klein elektronica-project kun je tijdens de eerste ontwerpen bijvoorbeeld met ongeveer 2 millimeter beginnen en later beoordelen of dat voor jouw printer, materiaal en toepassing geschikt is.

Zie ook dit niet als een vaste regel.

Het is een startwaarde.

We veranderen straks steeds één ding tegelijk en bekijken wat het effect daarvan is.

Vergeet montage niet

Wanneer je alleen de buitenvorm en de elektronica meet, ontbreekt nog één belangrijk onderdeel: hoe alles wordt vastgezet.

Een printplaat los onderin een doos leggen kan bij een snelle test nog werken.

Voor een echte behuizing is dat meestal geen goed plan.

Er zijn verschillende manieren om elektronica te bevestigen, bijvoorbeeld met:

  • schroeven;
  • afstandsbusjes;
  • kunststof nokjes;
  • sleuven;
  • klemverbindingen;
  • kleine houders die onderdeel zijn van de behuizing.

Je hoeft nu nog niet te weten welke methode je uiteindelijk kiest.

Je moet wel beseffen dat bevestiging ruimte nodig heeft.

Een montagepaaltje naast een printplaat neemt bijvoorbeeld ook enkele millimeters in.

Als je de binnenruimte precies rondom de elektronica bouwt, heb je daar later geen plaats meer voor.

Ook schroeven hebben ruimte nodig

Hetzelfde geldt voor de manier waarop de behuizing zelf gesloten wordt.

Stel dat je een deksel met vier schroeven wilt vastzetten.

Dan heb je in de hoeken materiaal nodig waarin die schroeven terechtkomen.

Dat betekent dat een printplaat misschien niet helemaal tot in de hoek kan liggen.

Hier zie je waarom ontwerpen vaak een proces van afwegen is.

Je kunt niet ieder onderdeel onafhankelijk tekenen.

De positie van een schroef kan invloed hebben op de positie van een printplaat.

De positie van een printplaat bepaalt weer waar de USB-opening moet komen.

En die opening kan invloed hebben op de plaats waar een bevestigingspunt past.

Een goede behuizing ontstaat daarom niet doordat je meteen alles perfect tekent.

Ze ontstaat doordat je verbanden leert zien.

Denk aan de gebruiker van de behuizing

Bij een zelfbouwproject ben jij vaak zowel ontwerper als gebruiker.

Toch helpt het om die twee rollen even uit elkaar te halen.

Stel dat de behuizing af is.

Je gebruikt hem een half jaar.

Wat moet je dan kunnen doen?

Misschien:

  • de USB-kabel vervangen;
  • de ESP32 opnieuw programmeren;
  • stof verwijderen;
  • een defecte sensor vervangen;
  • de behuizing van de muur halen;
  • een knop indrukken.

Wanneer daarvoor telkens de halve constructie uit elkaar moet, was de behuizing misschien technisch correct, maar praktisch niet erg goed.

Probeer daarom vooraf één eenvoudige vraag te stellen:

Wat wil ik later nog bij dit apparaat kunnen doen?

Die vraag levert vaak eisen op waar je tijdens het eerste ontwerp niet aan denkt.

Kabels hebben bewegingsruimte nodig

Kabels zijn een goed voorbeeld.

Op een beeldscherm is een kabel vaak niet meer dan een denkbeeldige lijn vanaf een connector.

Een echte kabel heeft dikte en stijfheid.

Sommige kabels kunnen scherp buigen.

Andere helemaal niet.

Stel dat je USB-aansluiting zich vlak bij de achterkant van de behuizing bevindt.

De stekker past.

Maar direct achter de stekker staat een wand.

Dan kan de kabel nergens heen.

Neem kabels daarom mee in je voorstelling van het ontwerp.

Je hoeft niet iedere kabel exact in Tinkercad na te bouwen. Vaak is het al genoeg om rondom een connector bewust vrije ruimte te reserveren.

Sensoren hebben soms andere eisen dan elektronica

Een microcontroller zoals een ESP32 wil je meestal beschermen.

Bij een omgevingssensor ligt dat anders.

Een temperatuursensor moet juist contact hebben met de lucht die je wilt meten.

Stop je hem in een vrijwel luchtdichte doos naast een ESP32, dan kan hij deels de temperatuur binnen in de behuizing meten.

En die temperatuur kan door de elektronica iets hoger zijn dan de kamertemperatuur.

De behuizing beïnvloedt dan dus de meting.

Dat is een belangrijk inzicht:

de behuizing is onderdeel van het functioneren van je apparaat.

Niet alleen van het uiterlijk.

Voor een SHT41 betekent dat bijvoorbeeld dat je moet nadenken over ventilatie, afstand tot warmteproducerende onderdelen en de positie van de sensor.

Voor een lichtsensor zou je juist moeten nadenken over vrij zicht op het omgevingslicht.

Voor een bewegingssensor geldt weer iets anders.

Het soort elektronica bepaalt dus mede het ontwerp.

Maak een eerste maatschets

Voordat je Tinkercad opent, kun je een eenvoudige schets maken.

Dat hoeft niet mooi.

Een vel papier is voldoende.

Teken bijvoorbeeld een rechthoek voor de bodem van de behuizing.

Teken daarbinnen grofweg:

  • de ESP32;
  • de sensor;
  • het display;
  • eventuele bevestigingspunten.

Schrijf de belangrijkste maten erbij.

Teken vervolgens eventueel een zijaanzicht om de hoogte te bekijken.

Je bent hier niet bezig met technisch tekenen.

Je probeert vooral ruimtelijk te denken.

Past de ESP32 naast het display?

Waar komt de USB-aansluiting uit?

Is daar nog ruimte voor de kabel?

Kan de sensor voldoende ver van de ESP32 worden geplaatst?

Een simpele schets kan in een paar minuten problemen zichtbaar maken die je anders pas na een eerste 3D-print ontdekt.

Werk van groot naar klein

Wanneer je aan een ontwerp begint, is het verleidelijk meteen bezig te gaan met ventilatiegaatjes, afgeronde hoeken en een logo op het deksel.

Dat zijn zichtbare details.

Maar ze lossen geen fundamentele maatproblemen op.

Werk daarom eerst van groot naar klein.

Eerst:

  • benodigde binnenruimte;
  • positie van de grote onderdelen;
  • buitenmaat van de behuizing;
  • openingen en aansluitingen;
  • bevestiging;
  • pas daarna details en uiterlijk.

Als stap 1 niet klopt, heeft het weinig zin om stap 6 perfect uit te werken.

Dat principe gaan we in Tinkercad voortdurend gebruiken.

Een eerste ontwerp hoeft niet mooi te zijn

Dit is misschien het belangrijkste om vooraf te accepteren.

Je eerste behuizing hoeft niet de uiteindelijke behuizing te zijn.

Sterker nog: het is verstandig om ervan uit te gaan dat je eerste versie aangepast moet worden.

Misschien blijkt:

  • de USB-opening twee millimeter te laag;
  • het display net niet goed te passen;
  • een montagepaaltje op de verkeerde plaats te staan;
  • het deksel te strak te sluiten;
  • de behuizing onnodig groot te zijn.

Dat zijn geen mislukte ontwerpen.

Dat zijn metingen.

Een prototype vertelt je iets dat je op het beeldscherm niet goed kon zien.

Daarom is het vaak beter om eerst een eenvoudige, hoekige testbehuizing te maken dan meteen veel tijd te besteden aan een mooi afgewerkt ontwerp.

Verander één maat tegelijk

Stel dat een eerste test niet past.

De neiging kan ontstaan om meteen vijf dingen te veranderen:

  • behuizing breder;
  • behuizing hoger;
  • opening groter;
  • wand dunner;
  • printplaat verschoven.

Als het volgende prototype wel werkt, weet je vervolgens niet welke wijziging het probleem werkelijk heeft opgelost.

Probeer daarom, waar mogelijk, één probleem tegelijk te corrigeren.

Bijvoorbeeld:

De ESP32 klemt aan beide zijden.

Verander dan eerst alleen de binnenbreedte.

Print of controleer opnieuw.

Past hij nu?

Dan weet je dat die wijziging het gewenste effect had.

Deze manier van werken kost soms een extra tussenstap, maar levert veel meer begrip op.

Praktijkvoorbeeld: de eerste eisen voor onze sensorbehuizing

Laten we ons voorbeeld uit De Werkplaats iets concreter maken.

We willen een eenvoudige behuizing ontwerpen voor een ESP32 met een temperatuur- en luchtvochtigheidssensor.

We bepalen voorlopig de volgende uitgangspunten:

  • de ESP32 ligt horizontaal;
  • de USB-aansluiting komt aan de zijkant;
  • de sensor komt aan de andere zijde van de behuizing;
  • rondom de sensor komen ventilatieopeningen;
  • de behuizing bestaat uit een onderbak en een deksel;
  • de ESP32 wordt niet los in de behuizing gelegd;
  • de USB-kabel moet aangesloten kunnen worden terwijl de behuizing dicht is.

Nog voordat we één vorm in Tinkercad hebben geplaatst, kunnen we al voorspellen waar aandachtspunten zitten.

De sensor moet niet direct tegen de ESP32 liggen.

De USB-opening moet groter worden dan alleen de metalen USB-connector.

De binnenhoogte moet rekening houden met de hoogste onderdelen op de print.

En we hebben ruimte nodig om de ESP32 vast te zetten.

Dat is precies het doel van deze voorbereiding.

Niet alles vooraf oplossen, maar weten welke problemen je straks moet oplossen.

Houd je eisen eenvoudig aanpasbaar

Tijdens het ontwerpen zullen inzichten veranderen.

Misschien besluit je na een eerste prototype dat de USB-aansluiting toch beter aan de achterkant kan zitten.

Of je merkt dat je geen schroeven nodig hebt, maar liever een klikdeksel gebruikt.

Je eisenlijst is daarom geen contract.

Zie hem als een werkdocument.

Wanneer je iets verandert, vraag jezelf af waarom.

Bijvoorbeeld:

Eerst: deksel met vier schroeven.

Later: deksel met twee schroeven.

Waarom?

Omdat twee schroeven voldoende stevig blijken en meer ruimte vrijlaten voor de elektronica.

Zo wordt iedere aanpassing een bewuste ontwerpbeslissing.

Wanneer ben je klaar om Tinkercad te openen?

Je hoeft nog niet iedere millimeter te kennen.

Wel moet je ongeveer antwoord kunnen geven op deze vragen:

  • Welke onderdelen moeten in de behuizing?
  • Wat zijn hun belangrijkste afmetingen?
  • Welke onderdelen moeten van buiten bereikbaar of zichtbaar zijn?
  • Welke onderdelen hebben ventilatie of vrij zicht nodig?
  • Hoeveel binnenruimte verwacht je nodig te hebben?
  • Hoe wil je ongeveer de elektronica bevestigen?
  • Moet de behuizing later geopend kunnen worden?
  • Waar komen kabels binnen of naar buiten?

Kun je daar voorlopig antwoord op geven, dan heb je voldoende informatie om te beginnen.

Niet om meteen de perfecte behuizing te ontwerpen.

Wel om een eerste model te bouwen dat ergens op gebaseerd is.

Wat je uit dit hoofdstuk kunt meenemen

Een behuizing ontwerpen begint niet met vormen tekenen, maar met kijken, meten en nadenken.

De belangrijkste punten zijn:

  • begin bij de onderdelen die werkelijk in de behuizing moeten;
  • meet niet alleen lengte en breedte, maar ook hoogte en uitstekende onderdelen;
  • houd rekening met speling rondom componenten;
  • maak onderscheid tussen binnenmaten en buitenmaten;
  • vertaal algemene wensen naar controleerbare eisen;
  • reserveer ruimte voor kabels, montage en bevestiging;
  • houd bij sensoren rekening met hun werkelijke functie;
  • maak eventueel eerst een eenvoudige maatschets;
  • werk van grote vormen naar kleine details;
  • behandel een prototype als een meetmiddel;
  • verander bij problemen bij voorkeur één onderdeel tegelijk.

Je hebt daarmee nog geen 3D-model gemaakt. Dat is bewust zo.

Je weet nu namelijk eerst wat je wilt tekenen en waarom bepaalde maten nodig zijn.

In het volgende hoofdstuk gaan we Tinkercad zelf leren begrijpen. We kijken naar het werkvlak, de standaardvormen en de camera. Daarmee krijg je het gereedschap in handen waarmee je deze eerste maten en eisen daadwerkelijk kunt omzetten in een ruimtelijk ontwerp.