Hoofdstuk 8 van 23

Gaten en uitsparingen maken met Hole en Group

In het vorige hoofdstuk heb je gezien hoe je onderdelen netjes kunt uitlijnen, spiegelen en dupliceren. Daarmee kun je vormen niet alleen op de juiste…

In het vorige hoofdstuk heb je gezien hoe je onderdelen netjes kunt uitlijnen, spiegelen en dupliceren. Daarmee kun je vormen niet alleen op de juiste plaats zetten, maar ook voorspelbaar opbouwen.

Dat wordt nu belangrijk.

Een behuizing bestaat namelijk niet alleen uit materiaal dat je toevoegt. Je moet ook materiaal kunnen weghalen. Denk aan een opening voor een USB-connector, een gat voor een drukknop, ventilatiesleuven of een uitsparing waardoor een kabel naar buiten komt.

In Tinkercad doe je dat met twee functies die je vaak samen zult gebruiken:

  • Hole maakt van een gewone vorm een vorm waarmee materiaal wordt verwijderd;
  • Group voert die bewerking daadwerkelijk uit.

Het principe is eenvoudig. Je legt een Hole-vorm door een Solid-vorm heen en groepeert beide. Het overlappende deel verdwijnt.

Maar zoals bij veel eenvoudige gereedschappen zit het verschil tussen ongeveer goed en bruikbaar ontworpen vooral in de manier waarop je ze gebruikt.

Materiaal toevoegen én materiaal verwijderen

Tot nu toe hebben we vooral gebouwd door vormen toe te voegen.

Een Box werd een bodem. Een tweede Box werd een wand. Een Cylinder kon bijvoorbeeld een afstandsbus worden.

Bij een echte behuizing moet je ook de andere kant op kunnen denken.

Stel dat je in De Werkplaats een eenvoudige behuizing maakt voor een ESP32. Aan één zijkant moet de USB-aansluiting bereikbaar blijven.

Je kunt moeilijk een wand tekenen die toevallig precies om de connector heen loopt. Veel eenvoudiger is het om eerst een volledige wand te maken en daarna de opening eruit te snijden.

Dat is precies waar Hole voor bedoeld is.

Je ontwerpt dus vaak in deze volgorde:

  • maak eerst de hoofdvorm;
  • plaats daarna een vorm waar materiaal moet verdwijnen;
  • maak die vorm tot Hole;
  • controleer de positie en maat;
  • groepeer de vormen.

Deze manier van werken lijkt een beetje op boren, zagen of frezen in de echte wereld.

Je maakt eerst iets massiefs en haalt daarna materiaal weg waar dat nodig is.

Wat een Hole eigenlijk is

Een Hole is in Tinkercad geen apart soort geometrie.

Vrijwel iedere gewone vorm kun je veranderen van Solid naar Hole.

Een Box kan dus een rechthoekig gat worden. Een Cylinder kan een rond gat maken. Ook complexere vormen kunnen als Hole worden gebruikt.

Wanneer je een vorm als Hole instelt, toont Tinkercad deze meestal halfdoorzichtig en gestreept. Daarmee laat het programma zien:

dit is geen materiaal dat straks overblijft, maar materiaal dat bij het groeperen wordt verwijderd.

Dat laatste is belangrijk.

Alleen een Hole over een ander object heen leggen maakt nog geen werkelijk gat.

De uitsparing ontstaat pas wanneer je de betrokken objecten met Group samenvoegt.

Je eerste eenvoudige gat

We beginnen bewust met iets eenvoudigs.

Plaats een Box op het werkvlak.

Geef hem bijvoorbeeld deze afmetingen:

  • breedte: 60 mm;
  • diepte: 40 mm;
  • hoogte: 4 mm.

Dit zou de bodem van een kleine behuizing kunnen zijn.

Plaats nu een Cylinder boven op de Box.

Maak de cilinder bijvoorbeeld:

  • 4 mm breed;
  • 4 mm diep;
  • 8 mm hoog.

De cilinder is bewust hoger dan de bodem.

Verander daarna de cilinder van Solid naar Hole.

Voordat je verdergaat, voorspel eerst wat er gebeurt wanneer je beide vormen groepeert.

De cilinder loopt volledig door de bodem heen. Je zou daarom verwachten dat er een rond gat door de volledige plaat ontstaat.

Selecteer nu zowel de Box als de Hole en kies Group.

Als alles goed staat, zie je inderdaad een rond gat.

Dat lijkt misschien een kleine stap, maar je hebt zojuist een van de belangrijkste technieken voor het ontwerpen van behuizingen gebruikt.

Waarom een Hole door het hele materiaal moet lopen

Een veelvoorkomende beginnersfout is dat de Hole-vorm precies even hoog wordt gemaakt als het onderdeel waarin het gat moet komen.

Stel dat onze bodem 4 mm dik is.

Dan lijkt het logisch om ook de Hole precies 4 mm hoog te maken.

In theorie kan dat werken. In de praktijk maak je jezelf daarmee onnodig afhankelijk van de exacte verticale positie.

Staat de Hole bijvoorbeeld 0,1 mm te hoog, dan blijft onderin een dun laagje materiaal staan.

Het gat ziet er van boven misschien goed uit, maar is niet volledig open.

Maak een Hole daarom bij een volledige doorvoer meestal bewust iets groter dan het materiaal waar hij doorheen moet.

Bij een bodem van 4 mm dik kan de Hole bijvoorbeeld 6 of 8 mm hoog zijn.

Het maakt niet uit dat hij aan de boven- en onderkant uitsteekt. Alles buiten de Solid-vorm wordt simpelweg genegeerd.

Dat geeft wat marge en maakt de bewerking betrouwbaarder.

Een uitsparing voor een USB-connector

Een rond gat is eenvoudig, maar bij elektronica zul je waarschijnlijk vaker rechthoekige uitsparingen gebruiken.

Denk aan:

  • USB-C;
  • micro-USB;
  • voedingsconnectoren;
  • schakelaars;
  • displays;
  • kabeldoorvoeren.

Stel dat je een opening wilt maken voor de USB-aansluiting van een ESP32.

Je zou daarvoor een Box als Hole kunnen gebruiken.

Maak bijvoorbeeld een Hole van:

  • 12 mm breed;
  • 8 mm hoog;
  • 10 mm diep.

De exacte maat hangt natuurlijk af van je printplaat en connector.

Plaats de Hole vervolgens door de zijwand heen.

Hier wordt wat je in de vorige hoofdstukken hebt geleerd ineens belangrijk.

Je wilt niet op het oog proberen de opening midden voor de connector te krijgen.

Gebruik afmetingen, uitlijning en eventueel het Ruler-gereedschap om de positie bewust vast te leggen.

Eerst meten, dan ruimte toevoegen

Een connectoropening maak je meestal niet exact even groot als de connector zelf.

Stel dat een USB-connector 9,0 mm breed en 3,5 mm hoog is.

Een gat van exact:

9,0 × 3,5 mm

lijkt logisch.

Maar een geprint onderdeel is nooit volledig maatvast.

Daarnaast moet je rekening houden met:

  • de tolerantie van je 3D-printer;
  • een kleine afwijking in de positie van de printplaat;
  • de vorm van de stekker die je later aansluit;
  • eventuele afrondingen rond de connector.

Je zou daarom bijvoorbeeld kunnen beginnen met:

10,0 × 4,5 mm

Dat betekent 0,5 mm extra ruimte rondom.

Dat is geen universele regel. Het is een startpunt dat je later met een proefprint kunt controleren.

Dat onderscheid is belangrijk.

Je probeert niet te voorspellen wat je printer theoretisch zou moeten doen. Je ontwerpt iets, print het, observeert het resultaat en past daarna één maat aan.

Niet alleen de connector telt

Bij een USB-opening is er nog iets waar je gemakkelijk overheen kijkt.

De metalen connector op de printplaat kan bijvoorbeeld maar 9 mm breed zijn, terwijl de kunststof behuizing van de USB-stekker veel breder is.

Een opening waarin de connector zelf netjes zichtbaar is, kan daardoor alsnog onbruikbaar zijn.

De stekker past dan niet ver genoeg naar binnen.

Kijk daarom niet alleen naar het onderdeel in de behuizing, maar ook naar het onderdeel dat je er later van buitenaf op aansluit.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor:

  • ronde DC-stekkers;
  • netwerkkabels;
  • antenneconnectoren;
  • drukknoppen;
  • schakelaars.

Een bruikbare uitsparing is dus functioneel ontworpen, niet alleen geometrisch passend.

Controleer de uitsparing vanuit meerdere richtingen

Een Hole kan op het scherm correct lijken terwijl hij toch verkeerd staat.

Bekijk je ontwerp daarom vanuit meerdere hoeken.

Controleer ten minste:

  • de voorkant;
  • de zijkant;
  • de bovenkant;
  • een schuin perspectief.

Je wilt drie dingen kunnen beantwoorden:

  • zit de opening horizontaal op de juiste plaats?
  • zit hij verticaal op de juiste hoogte?
  • loopt de Hole ver genoeg door de wand heen?

Vooral die laatste controle wordt gemakkelijk vergeten.

Tinkercad is een driedimensionaal programma. Een positie die vanuit één kijkrichting goed lijkt, kan vanuit een andere richting verkeerd blijken te zijn.

Gebruik Align ook voor gaten

De functie Align uit het vorige hoofdstuk is ook bij uitsparingen erg handig.

Stel dat je een ventilatiegat precies in het midden van een zijwand wilt plaatsen.

Je hoeft dan niet zelf uit te rekenen waar het midden ligt.

Selecteer:

  • de wand;
  • de Hole.

Kies vervolgens Align.

Je kunt de Hole daarna op de gewenste as centreren.

Let wel goed op wat je centreert.

Misschien wil je de opening horizontaal exact in het midden hebben, maar verticaal juist lager plaatsen.

Klik dan alleen op het uitlijnpunt van de as die je werkelijk wilt aanpassen.

Zo verander je steeds maar één ding.

Dat maakt het veel gemakkelijker om te zien waarom een onderdeel ineens op een andere plaats staat.

Group voert de bewerking uit

Wanneer de Hole goed staat, selecteer je zowel de Solid-vorm als de Hole.

Daarna kies je Group.

Tinkercad maakt daarvan één samengesteld object.

Het overlappende deel van de Hole wordt verwijderd.

Bij eenvoudige modellen voelt Group daardoor bijna als een soort digitale boormachine.

Maar technisch doet Group meer dan alleen gaten maken.

Het combineert verschillende vormen tot één nieuw object.

Daarom kun je bijvoorbeeld ook:

  • meerdere Solid-vormen samenvoegen;
  • meerdere Holes tegelijk uitvoeren;
  • Solid- en Hole-vormen in één bewerking combineren.

Dat maakt het mogelijk om behoorlijk complexe onderdelen te bouwen met alleen eenvoudige basisvormen.

Meerdere gaten tegelijk maken

Stel dat je vier bevestigingsgaten in de bodem van een behuizing wilt maken.

Je hoeft niet elk gat afzonderlijk te groeperen.

Je kunt:

  • één Cylinder maken;
  • deze op de juiste diameter instellen;
  • hem veranderen in Hole;
  • hem dupliceren;
  • de vier Holes op hun juiste positie zetten;
  • alle Holes en de bodem tegelijk selecteren;
  • één keer Group gebruiken.

Hier zie je hoe de technieken uit het vorige hoofdstuk elkaar versterken.

Met Duplicate maak je identieke gaten.

Met exacte maten bepaal je hun positie.

Met Align voorkom je dat een rij gaten scheef staat.

Met Group voer je uiteindelijk alle uitsparingen uit.

De losse functies beginnen zo samen een ontwerpmethode te vormen.

Vier bevestigingsgaten als oefening

Neem opnieuw een plaat van:

60 × 40 × 4 mm

Maak een Cylinder van:

3,2 × 3,2 mm

en verander hem in Hole.

Waarom 3,2 mm?

Omdat we bijvoorbeeld een doorvoergat voor een M3-bout zouden kunnen willen maken.

Een bout van 3 mm past meestal niet prettig door een exact geprint gat van 3,0 mm.

Ook hier geldt: de uiteindelijke geschikte diameter hangt af van je printer, materiaal en gewenste passing.

Plaats het eerste gat bijvoorbeeld 5 mm vanaf beide randen.

Dupliceer het gat daarna naar de andere drie hoeken.

Controleer voordat je groepeert of alle gaten werkelijk door de volledige plaat lopen.

Voorspel nu het resultaat.

Na Group zou je één plaat met vier identieke gaten moeten overhouden.

Voer de bewerking uit en bekijk het model schuin van onderen.

Zie je alle vier de gaten volledig doorlopen?

Dan is de bewerking gelukt.

Ungroup is je terugweg

Na het groeperen lijkt het misschien alsof alle oorspronkelijke vormen verdwenen zijn.

Gelukkig kun je een Group weer uit elkaar halen.

Daarvoor gebruik je Ungroup.

Tinkercad probeert de oorspronkelijke Solid- en Hole-vormen dan weer beschikbaar te maken.

Dat is handig wanneer je bijvoorbeeld ontdekt dat een connectoropening 1 mm te smal is.

Je kunt dan:

  • de Group selecteren;
  • Ungroup gebruiken;
  • de Hole selecteren;
  • de maat aanpassen;
  • opnieuw Group gebruiken.

Hier zit wel een praktische grens aan.

Naarmate je een ontwerp steeds verder groepeert, degroepeert en opnieuw opbouwt, kan het lastiger worden om te begrijpen welke vormen bij welke stap horen.

Daarom is het verstandig om je model logisch op te bouwen.

Groepeer niet eerder dan nodig

Het kan verleidelijk zijn om na iedere kleine wijziging meteen Group te gebruiken.

Dat hoeft niet altijd.

Stel dat je een zijwand hebt met:

  • een USB-opening;
  • een aan/uit-schakelaar;
  • twee ventilatiegaten.

Je kunt alle uitsparingen eerst plaatsen en controleren.

Pas wanneer je tevreden bent over hun maat en positie, groepeer je ze met de wand.

Dat heeft een belangrijk voordeel:

je kunt de afzonderlijke Holes nog gemakkelijk verplaatsen of aanpassen.

Zodra alles gegroepeerd is, moet je eerst weer Ungroup gebruiken om een Hole te veranderen.

Een handige werkwijze is daarom:

eerst plaatsen → dan controleren → daarna groeperen.

Niet:

plaatsen → meteen groeperen → fout ontdekken → weer degroeperen.

Een uitsparing hoeft niet volledig door het materiaal

Tot nu toe hebben we Holes gebruikt om echte openingen te maken.

Maar een Hole hoeft niet altijd volledig door een onderdeel heen te lopen.

Je kunt hem ook gebruiken om alleen een gedeelte van het materiaal te verwijderen.

Daarmee maak je bijvoorbeeld:

  • een verzonken vlak;
  • een sleuf;
  • een ondiepe uitsparing;
  • een ruimte voor een label;
  • een uitsparing waarin een deksel valt.

Stel dat je een plaat van 4 mm dik hebt en je wilt aan de bovenkant een uitsparing van 1 mm diep.

Dan laat je de Hole maar 1 mm in de plaat zakken.

Na Group blijft er onder de uitsparing nog 3 mm materiaal staan.

Dit wordt vaak een recess of verzinking genoemd.

Het principe is hetzelfde als bij een volledig gat. Alleen de diepte van de overlap verandert.

Maak de diepte bewust meetbaar

Bij zo'n gedeeltelijke uitsparing is werken op het oog extra riskant.

Als je Hole 1 mm diep moet komen, wil je ook werkelijk weten dat hij 1 mm in het materiaal zit.

Daarom zijn de technieken uit het hoofdstuk over maten opnieuw belangrijk.

Een behuizing ontwerpen wordt steeds minder een kwestie van vormen slepen en steeds meer een kwestie van relaties vastleggen:

  • deze opening is 10 mm breed;
  • dit gat zit 5 mm uit de rand;
  • deze uitsparing is 1 mm diep;
  • deze twee gaten liggen op dezelfde lijn.

Dat is uiteindelijk waar technisch tekenen om draait.

Ventilatiesleuven maken

Een ander praktisch gebruik van Hole is het maken van ventilatieopeningen.

Stel dat je een ESP32 met een spanningsregelaar in een gesloten behuizing plaatst.

Misschien wil je enkele ventilatiesleuven aanbrengen.

Je zou daarvoor een smalle Box kunnen gebruiken.

Maak bijvoorbeeld één Hole van:

20 × 2 × 6 mm

Plaats hem door de wand.

Maak daarna meerdere kopieën met Duplicate.

Nu komt een interessante ontwerpkeuze.

Je zou iedere sleuf afzonderlijk op het oog kunnen plaatsen.

Maar het resultaat wordt bijna zeker iets onregelmatig.

Beter is het om de eerste twee sleuven bewust te positioneren en daarna de duplicatiefunctie te gebruiken om het patroon voort te zetten.

Controleer vervolgens de afstand tussen de sleuven.

Bij een geprinte behuizing moet tussen twee openingen voldoende materiaal overblijven.

Een wand vol smalle ribben kan er netjes uitzien, maar ook gemakkelijk breken.

Niet ieder gat is verstandig

Omdat Tinkercad vrijwel elke vorm van materiaal kan aftrekken, kun je gemakkelijk vormen maken die technisch wel mogelijk zijn maar als geprint onderdeel weinig zin hebben.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • een gat vlak tegen de buitenrand;
  • een sleuf die bijna de volledige wand wegneemt;
  • tientallen kleine ventilatiegaatjes dicht op elkaar;
  • een boutgat waarvan nog maar een halve millimeter materiaal tot de rand overblijft.

Controleer daarom niet alleen of Tinkercad de vorm kan maken.

Vraag jezelf ook af:

blijft er na het maken van deze opening voldoende materiaal over?

Een 3D-model kan op het scherm zweven, flinterdun zijn of nauwelijks verbonden delen bevatten.

Je printer kent die luxe niet.

Kijk naar het materiaal rondom een gat

Stel dat je een M3-gat van ongeveer 3,2 mm maakt.

Als het midden van dat gat slechts 2 mm van de rand ligt, blijft er bijna geen materiaal over.

Het gat kan dan tijdens het printen slecht vormen of later gemakkelijk uitscheuren.

Plaats hetzelfde gat iets verder naar binnen en je krijgt een veel robuuster onderdeel.

Daarom kijk je bij gaten altijd naar twee maten:

  • de maat van het gat zelf;
  • de hoeveelheid materiaal eromheen.

Dat tweede deel wordt gemakkelijk vergeten.

Ronde gaten zijn niet altijd exact rond

Op het scherm is een Cylinder mooi rond.

Een 3D-printer maakt daar echter laag voor laag een fysieke vorm van.

Vooral kleine horizontale gaten kunnen daardoor iets kleiner of minder rond uitvallen dan je hebt ontworpen.

Dat betekent niet automatisch dat je ontwerp fout is.

Het resultaat vertelt je iets over de combinatie van:

  • model;
  • printer;
  • nozzle;
  • laaghoogte;
  • materiaal;
  • printoriëntatie.

Wil je bijvoorbeeld een nauw passend gat voor een bout, dan kan het verstandig zijn eerst een kleine testplaat te printen met verschillende diameters.

Bijvoorbeeld:

  • 3,0 mm;
  • 3,2 mm;
  • 3,4 mm;
  • 3,6 mm.

Daarna kun je fysiek controleren welke maat op jouw printer het beste werkt.

Dat is betrouwbaarder dan een willekeurige correctie uit een tabel overnemen.

Maak een eenvoudige testcoupon

Zo'n klein proefstukje wordt vaak een testcoupon genoemd.

Dat klinkt ingewikkelder dan het is.

Maak bijvoorbeeld een plaatje van:

40 × 15 × 4 mm

Plaats daarin vier Hole-cilinders met verschillende diameters.

Zet eventueel naast ieder gat kleine cijfers als je die al wilt toevoegen, maar dat is niet noodzakelijk.

Print het onderdeel en probeer dezelfde M3-bout door ieder gat.

Je leert dan direct iets over jouw printer.

Misschien past 3,2 mm al goed.

Misschien heb je 3,4 mm nodig.

Die informatie kun je vervolgens gebruiken in je echte behuizing.

Je gebruikt een fout of afwijking dan niet als frustratie, maar als meetresultaat.

Denk na over de richting van een opening

Ook de richting waarin je print speelt een rol.

Een verticaal rond gat wordt meestal anders gevormd dan een horizontaal rond gat.

Een grote uitsparing in een zijwand kan bovendien een zogenoemde bridge veroorzaken: de printer moet dan tijdelijk filament over een opening heen leggen zonder ondersteuning eronder.

Bij grotere openingen kan support nodig zijn, of je kunt de vorm anders ontwerpen.

Daar komen we later uitgebreider op terug.

Voor nu is vooral belangrijk dat een opening niet alleen een vorm in Tinkercad is.

Hij wordt uiteindelijk ook echt geprint.

Een behuizingwand met connectoropening

Laten we de technieken samenbrengen in een concreet onderdeel.

Stel dat je een zijwand ontwerpt van:

  • 60 mm breed;
  • 3 mm dik;
  • 25 mm hoog.

Daarin moet een connectoropening komen van:

  • 12 mm breed;
  • 8 mm hoog.

Maak eerst de wand als Solid.

Maak daarna een tweede Box en verander die in Hole.

Geef deze Hole bijvoorbeeld:

  • breedte: 12 mm;
  • diepte: 6 mm;
  • hoogte: 8 mm.

Omdat de wand maar 3 mm dik is, steekt de Hole bewust aan beide kanten uit.

Plaats de opening ongeveer in het midden van de wand.

Gebruik waar mogelijk Align voor de horizontale positie.

Stel daarna bewust de hoogte in.

Bekijk de wand van voren.

Klopt de positie?

Bekijk hem nu van opzij.

Loopt de Hole volledig door de wand?

Bekijk hem tenslotte schuin.

Kun je verklaren welk deel na Group zal verdwijnen?

Pas wanneer dat allemaal klopt, selecteer je beide vormen en kies je Group.

Een fout bewust onderzoeken

Maak nu eens expres een fout.

Gebruik Ungroup en schuif de Hole ongeveer 2 mm omhoog.

Group opnieuw.

Wat zie je?

De opening staat nu duidelijk hoger.

Gebruik opnieuw Ungroup en verschuif de Hole vervolgens in de diepte, zodat hij nog maar gedeeltelijk door de wand loopt.

Group opnieuw.

Waarschijnlijk krijg je nu geen volledig open gat meer, maar een uitsparing.

Dat is geen mislukking.

Je ziet hiermee precies wat Group doet:

alleen het volume waarin Hole en Solid elkaar overlappen wordt verwijderd.

Als je dat principe begrijpt, kun je vrijwel iedere uitsparing verklaren.

Soms is het resultaat onverwacht

Je kunt tijdens het groeperen tegen vreemde resultaten aanlopen.

Bijvoorbeeld:

  • het gat verschijnt niet;
  • slechts een deel van de uitsparing wordt verwijderd;
  • een complete vorm lijkt te verdwijnen;
  • de opening zit op een andere plaats dan verwacht.

Ga dan niet meteen meerdere dingen tegelijk veranderen.

Controleer stap voor stap.

Controle 1 — Is de vorm werkelijk een Hole?

Selecteer de vorm en kijk of hij als Hole staat ingesteld.

Controle 2 — Overlappen de vormen werkelijk?

Bekijk het model van opzij en schuin.

Een Hole die net naast de Solid staat, verwijdert niets.

Controle 3 — Is de Hole diep genoeg?

Voor een volledig gat moet hij door de hele wand of bodem lopen.

Controle 4 — Heb je de juiste objecten geselecteerd?

Bij een complexer model kan er gemakkelijk een extra object wel of juist niet in de selectie zitten.

Controle 5 — Wat verwacht je dat er verdwijnt?

Probeer vóór Group in woorden te beschrijven welk volume de Hole overlapt.

Als het resultaat daarna anders is, heb je een concreet verschil om te onderzoeken.

Eerst voorspellen, daarna groeperen

Dat laatste is een nuttige gewoonte.

Voordat je op Group klikt, probeer je even te voorspellen:

welk materiaal blijft over?

Bij een simpel rond gat is het antwoord duidelijk.

Bij meerdere overlappende vormen wordt dat minder vanzelfsprekend.

Door eerst te voorspellen en daarna te kijken wat Tinkercad werkelijk doet, leer je het programma veel sneller begrijpen.

Je bent dan niet alleen knoppen aan het gebruiken.

Je bouwt een mentaal model van wat Tinkercad met de geometrie doet.

Hole en Group als basisgereedschap

Met alleen Box, Cylinder, Hole en Group kun je al opvallend veel maken.

Voor een behuizing kun je bijvoorbeeld bouwen:

  • schroefgaten;
  • connectoropeningen;
  • ventilatiesleuven;
  • kabeldoorvoeren;
  • uitsparingen voor een display;
  • montagegleuven;
  • verzonken vlakken;
  • ruimtes voor schakelaars;
  • openingen voor sensoren.

De techniek verandert nauwelijks.

Je bepaalt eerst welk materiaal je wilt behouden.

Daarna bepaal je welk volume moet verdwijnen.

Dat volume maak je als Hole.

Tenslotte laat je Group de vorm daadwerkelijk uitsnijden.

Ontwerp gaten niet los van hun functie

Een laatste belangrijk punt: een opening heeft altijd een reden.

Een gat is niet alleen een cirkel met een bepaalde diameter.

Het kan bedoeld zijn voor:

  • een bout die vrij moet kunnen bewegen;
  • een bout die zichzelf in kunststof vastzet;
  • een kabel;
  • een LED;
  • een sensor;
  • luchtstroming;
  • een stekker;
  • een drukknop.

De functie bepaalt de maat.

Een M3-bout waarvoor je een vrij doorvoergat wilt, vraagt iets anders dan een gat waarin je diezelfde bout rechtstreeks in kunststof wilt laten grijpen.

Een LED die strak in een paneel moet klikken vraagt iets anders dan een opening waar alleen licht doorheen hoeft.

Begin daarom niet met:

Hoe groot zal ik het gat maken?

Begin met:

Wat moet er doorheen, erin of achter kunnen?

Daarna komt de maat.

Wat je uit dit hoofdstuk kunt meenemen

Met Hole en Group kun je materiaal uit een bestaande vorm verwijderen. Daarmee maak je de gaten en uitsparingen die van een simpele doos uiteindelijk een bruikbare behuizing maken.

De belangrijkste punten zijn:

  • vrijwel iedere vorm kan als Hole worden gebruikt;
  • een Hole verwijdert alleen materiaal waar hij een Solid-vorm overlapt;
  • het materiaal wordt pas verwijderd wanneer je Group gebruikt;
  • laat een Hole voor een volledig gat bewust iets door het materiaal heen steken;
  • gebruik exacte maten en Align om openingen bewust te positioneren;
  • houd rekening met speling rond connectoren, bouten en andere onderdelen;
  • controleer niet alleen de opening zelf, maar ook hoeveel materiaal eromheen overblijft;
  • Ungroup maakt het mogelijk een eerdere uitsparing weer aan te passen;
  • groepeer pas wanneer maat en positie gecontroleerd zijn;
  • een kleine proefprint kan je meer vertellen dan eindeloos theoretisch rekenen.

Tot nu toe heb je geleerd hoe je vormen opbouwt, exact maatvoert, uitlijnt en vervolgens materiaal kunt verwijderen. Daarmee beschik je over de belangrijkste gereedschappen om van eenvoudige Tinkercad-vormen een echte behuizing te maken.

Vanaf dit punt wordt vooral interessant hoe je die technieken samen gebruikt om wanden, bodem, deksel en montagepunten als één logisch ontwerp op te bouwen. Daarmee verschuift de aandacht van losse bewerkingen naar de constructie van de behuizing zelf.